VOCHoorn en Hoorns Belang stellen vervolgvragen aan het College over de parkeernorm bij de nieuw te bouwen Toren van Hoorn aan de Maelsonstraat

Op 5 april jl. ontvingen wij van u de antwoorden op onze vragen over de parkeernorm voor de nieuwbouwplannen van een woontoren op de Maelsonstraat. De fracties van Hoorns Belang en VOC Hoorn vinden uw antwoorden zo zorgwekkend dat wij er niet aan ontkomen vervolgvragen te stellen.

Wij verzoeken u met grote klem deze vragen binnen de termijn van 30 dagen te beantwoorden, zoals voorgeschreven in het Reglement van Orde. Wij hebben dan de gelegenheid deze te bestuderen voor de komende raadsvergadering van 24 mei. Voor de goede orde willen wij u tevens laten weten dat wij de mogelijkheid open houden tijdens de raadsvergadering van 24 mei, op grond van artikel 36, het vijfde lid RvO, nadere inlichtingen over uw antwoorden te vragen, dan wel een raadsinstrument als bedoeld in artikel 37 RvO (verzoek om inlichtingen) of artikel 34 RvO (interpellatiedebat) aan te vragen.
Uw brief van 16 maart 2017 In uw brief met dagtekening 16 maart 2017 aan de raad stelt u dat binnen het bouwplan niet aan de parkeernorm kan worden voldaan en dat u daarom instemt met 38 parkeerplaatsen minder. Het is ons echter niet duidelijk wat u vervolgens beoogt: Enerzijds wekt u de indruk dat u met minder plaatsen dan de voorgeschreven norm instemt door uw verwijzing naar de tendens van minder autobezit. Anderzijds wekt u de indruk dat u de parkeernorm wilt handhaven, maar dat u wilt toestaan dat daarvan 38 parkeerplaatsen in de omgeving, dus buiten het plangebied gerealiseerd mogen worden.
Vragen:

1. Wat beoogt u exact; handhaving van de parkeernorm, met toestemming deze deels buiten het bouwplan te realiseren, of verlaging van de parkeernorm vanwege de door u genoemde trend van afnemend autobezit?

2. Indien u de parkeernorm wenst te handhaven, wat bedoelt u dan met uw opmerkingen over elektrisch rijden en autodelen in uw brief van 16 maart?
In het door de raad vastgestelde beeldkwaliteitsplan ‘Woongebouw Maelsonstraat’ staat als voorschrift, onomwonden geformuleerd, dat de bewoners van dit bouwplan op de bouwkavel moeten parkeren, geheel of deels ondergronds. U voornemen 38 parkeerplaatsen elders in het gebied toe te staat derhalve haaks op een door de raad gesteld kader.
Dit doet u bij de ontwikkeling van een plan in een gebied waar het parkeren fors onder druk staat en politiek een zeer gevoelig item is. Daarmee legt u de in raadsbesluiten gestelde kaders naast u neer.
U verwijst daarbij naar uw afwijkingsbevoegdheid. De bevoegdheid af te wijking van het bestemmingsplan toe te staan is geregeld in artikel 7 aanhef en letter i van de bestemmingsplanregels (zie bijlage 1). Aan die afwijkingsbevoegdheid zijn echter strenge voorwaarden gebonden:

A. Er mag geen onevenredige afbreuk worden gedaan aan: a. straat- en bebouwingsbeeld; b. de woonsituatie; c. de verkeerssituatie; d. de milieusituatie; en
e. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken.

B. De aanvrager kan aantonen dat: a. met een beperkter aantal parkeerplaatsen kan worden volstaan dan volgens de norm verplicht zou zijn; en b. dit niet leidt tot een toename van de parkeerdruk in de omgeving.
Vervolg vragen:

3. Deelt u onze analyse dat bij toepassing van uw afwijkingsbevoegdheid aan de voorwaarden van artikel 7-i van de bestemmingsplanregels moet worden voldaan, zoals hierboven door ons samengevat?

a. Zo nee, wilt u dan gedetailleerd en volledig uitleggen, inclusief verwijzing naar artikel- en paginanummers, waar u uw uitzonderingsbevoegdheid dan op baseert en wat volgens u de voorwaarden zijn?

b. Zo ja, dan ontvangen wij graag uw uitleg hoe aan alle hiervoor genoemde voorwaarden is voldaan? In het bijzonder verzoeken wij u in te gaan op de voorwaarden dat dit niet leidt tot toename van de parkeerdruk in de omgeving. Dit lijkt immers in strijd met uw eis in de omgeving 38 parkeerplekken te realiseren.
Tevens suggereert u dat het beeldkwaliteitsplan, dat expliciet stelt dat bewoners op het gebied van het bouwplan zelf moeten parkeren, strijdig zou zijn met het bestemmingsplan. In het genoemde artikel 7 staat echter dat het bevoegde gezag onder voorwaarden kan afwijken, dus niet dat het verplicht is af te wijken, zeker niet wanneer niet aan de voorwaarden voldaan wordt.
4. Gezien de duidelijke door de raad gestelde kaders en de politieke gevoeligheid verzoeken wij u gedetailleerd te onderbouwen (met exacte verwijzing naar pagina / artikel) waar u op baseert dat u er niet aan ontkomt van de kaders in zowel het bestemmingsplan als in het beeldkwaliteitsplan af te wijken.

5. Graag ontvangen wij een gedegen toelichting op uw standpunt dat u van mening bent bevoegd te zijn via een collegebesluit een door de raad gesteld kader in het beeldkwaliteitsplan buiten werking te stellen.

6. Wat is de politieke en juridische betekenis van een raadskader in een beeldkwaliteitsplan als u buiten de raad om blijkbaar dit raadsbesluit kunt passeren?

7. Deelt u onze mening dat het, gezien de politieke actualiteit, politiek / bestuurlijk uitermate onverstandig is buiten instemming van de raad, afwijkingen van de parkeernormen toe te staan?

a. Zo niet, dan ontvangen wij hier graag een toelichting op. b. Zo ja, welke conclusie trekt u hieruit?
Als onderbouwing van uw afwijking van de door de raad vastgestelde parkeernorm stelt u dat er een trend van afnemend autobezit is. Dit is een algemeen veronderstelde trend die u gebruikt om in een individueel plan een afwijking van door de raad gestelde normen toe te staan. Deze veronderstelde trend zal niet uniek zijn voor de Maelsonstraat. Dit precedent betekent dat bij ieder ander plan de initiatiefnemers op grond van dit argument ook een aanpassing van de parkeernorm kunnen vragen. Feitelijk is met dit precedent sprake van een door het college doorgevoerde beleidswijziging van door de raad vastgestelde kaders. Algemene beleidswijzigingen ten opzichte van vastgestelde raadskaders mogen niet buiten de raad om vastgesteld worden.
8. Deelt u de mening van Hoorns Belang en VOC Hoorn dat de aanpassing van parkeernormen op grond van algemeen geldende vermeende argumenten aan de raad dienen te worden voorgelegd ter besluitvorming? Zo nee, waarom niet.

9. Deelt u onze mening dat de door u gegeven onderbouwing zo algemeen geldend is dat ook andere initiatiefnemers bij andere plannen hier rechten aan kunnen ontlenen?

c. Zo nee, dan verzoeken wij u hier een volledige en gedetailleerde uitleg bij te geven.
Het beeldkwaliteitsplan stelt onomwonden dat maaiveld-parkeren door bewoner niet is toegestaan. Dat u dit toch wilt toestaan, in strijd met door de raad vastgestelde kaders, onderbouwt u met het argument dat deze bepaling per ongeluk in het beeldkwaliteitsplan is opgenomen. Wij wijzen u er echter op dat het beeldkwaliteitsplan op deze manier, met deze bepaling, is vastgesteld en daarmee volledige juridische werking heeft. We prijzen ons gelukkig dat we niet op een plek leven waar het college de bevoegdheid heeft door de volksvertegenwoordiging genomen besluiten naar eigen goeddunken buiten werking te stellen. Wat onze fracties betreft staat deze bepaling er niet ‘per ongeluk’ in. Als ze er niet in had gestaan, hadden wij bij de behandeling ongetwijfeld een amendement van deze strekking ingediend om het parkeren te reguleren.

10. Deelt u onze mening dat het beeldkwaliteitsplan, zoals door de raad vastgesteld, volledig rechtsgeldig is, ongeacht of de parkeerbepaling bewust of per ongeluk in het plan is opgenomen? Zo nee, wilt u dat dan uitleggen.
U schrijft eveneens bij de beantwoording van vraag 7 en 8 het volgende: “Met de opsteller van het beeldkwaliteitsplan is hierover gesproken en verzocht om aandacht hiervoor zodat herhaling wordt voorkomen.”
U stelt daarmee feitelijk dat de fout ligt bij de ambtenaar die dit plan opgesteld heeft. U zult echter ook weten dat te allen tijde slechts één persoon cq orgaan verantwoordelijk is: de wethouder cq het college, zoals geformaliseerd in de gedragscode. Als dus iemand publiekelijk aangesproken dient te worden, dan is dat niet de steller van het stuk, maar degene wiens handtekening er onder staat, en dat bent u.
Overigens lezen we in het raadsvoorstel bij het beeldkwaliteitsplan dat dit plan is opgesteld in overleg met de welstandscommissie, de architect en de initiatiefnemers. Dit gegeven vinden wij lastig te combineren met uw opmerking dat zo’n belangrijk onderwerp als parkeren ‘per ongeluk’ in het plan terechtgekomen is door een fout van een medewerker.
11. Hebt u naast de steller van het stuk ook de initiatiefnemers, de architect en de welstandscommissie op deze zogenaamde fout aangesproken, aangezien het plan in overleg met hen is opgesteld?

12. Blijkbaar bent u van mening dat er zo’n grote fout in het beeldkwaliteitsplan zit, dat iemand er publiekelijk op moet worden aangesproken is. Aangezien u politiek en bestuurlijk verantwoordelijk bent, vind u dan niet dat het vele malen correcter is dat u publiekelijk op deze fout wordt aangesproken door de raad, in plaats van dat een medewerker uit het stadhuis door u wordt aangesproken?

13. Tot slot stelt u in uw antwoord bij vraag 9 dat het college binnen haar bevoegdheid gehandeld heeft. Indien u dat nog steeds van mening bent, dan verzoeken wij u een gedegen uitleg hiervan in relatie tot het onomwonden verbod op maaiveld parkeren in het beeldkwaliteitsplan en het ontbreken van een tegengestelde bepaling hierover in het bestemmingsplan.
Met vriendelijke groet,

Hans Weeda, raadslid VOCHoorn

Symen van der Meer, raadslid Hoorns Belang

Bijlage 1

Artikel 7 Algemene afwijkingsregels
Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeerssituatie, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en bouwwerken, bij een omgevingsvergunning afwijken van:

a. de bij recht in het plan gegeven maten, afmetingen, percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages;

b. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot ten hoogste 10 m;

c. de regels en toestaan dat gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen worden gebouwd, mits:

1. de bouwhoogte van een gebouw ten hoogste 3 m zal bedragen;

2. de oppervlakte van een gebouw ten hoogste 15 m2 zal bedragen;

d. de regels ten aanzien van de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde en toestaan dat antenne installaties en daarmee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, op gebouwen worden geplaatst, mits:

1. de bouwhoogte van het betreffende bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten hoogste 5 m gemeten vanaf de voet, mag bedragen;

2. wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot zendmasten;

e. de regels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot ten hoogste 40 m, mits wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid met betrekking tot zendmasten;

f. de regels en toestaan dat een kleine windturbine wordt gebouwd waarvan de masthoogte niet meer mag bedragen dan 6 m, waarbij indien sprake is van een gebouw gebonden windturbine deze hoogte wordt gemeten vanaf het dak, en waan/an de rotor een oppervlakte beschrijft van maximaal 19,5 m2 (een maximale rotordiameter van ongeveer 5 m);

g. de regels en toestaan dat bestemming- c.q. bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;

h. de regels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeerssituatie en/of -intensiteit daartoe aanleiding geeft;

i. de regels en toestaan dat wordt afgeweken van de parkeernorm zoals genoemd in de bijlage 1 behorende bij deze regels ten behoeve van de verlaging van deze norm indien de aanvrager kan aantonen met een beperkter aantal parkeerplaatsen te kunnen volstaan dan volgens de norm verplicht zou zijn en dit niet leidt tot een toename van de parkeerdruk in de omgeving;

j. het bepaalde ten aanzien van de maximale (bouw)bouwhoogte van gebouwen en toestaan dat de (bouw)bouwhoogte van de gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen wordt vergroot, mits:

1. de maximale oppervlakte van de vergroting ten hoogste 10% van het betreffende bouwvlak zal bedragen;

2. de bouwhoogte leidt tot een bouwhoogte welke ten hoogste 1,25 maal de maximale (bouw)bouwhoogte van het betreffende gebouw zal bedragen.